Extra ondersteuning (zorgbeleid)

Intern begeleider

Voor oa.de organisatie en coördinatie van de extra ondersteuning heeft de school een intern begeleider binnen het team. De intern begeleider ondersteunt de groepsleerkrachten, bijvoorbeeld door een observatie te maken, zodat deze de kinderen in de groep goed kunnen begeleiden en onderhoudt contacten met ouders en externen.  De coördinatie van de leerlingenzorg is in handen van de intern begeleider. De eindverantwoordelijkheid ligt bij de directie.

Leerlingen met extra onderwijsbehoeften

Alle leerlingen worden minimaal één keer per jaar in een groeps/leerlingbespreking besproken (IB+leerkracht). Hier worden de onderwijsbehoeften en de (tot nu toe ingezette) basisondersteuning en mogelijke extra ondersteuning besproken. Leerlingen kunnen op meerdere momenten per jaar met IBer besproken worden.

De ondersteuning voor leerlingen is ingedeeld volgens de zorgpiramide. Deze bestaat uit 5 zorgniveaus. Wanneer een leerkracht constateert dat een kind in zijn groep extra zorg en ondersteuning nodig heeft zal de leerkracht in eerste instantie inspelen op de leerbehoefte van de leerling binnen de groep (basisondersteuning ZN 1 en 2). De ouders worden hiervan door de leerkracht op de hoogte gebracht. 

Als blijkt dat de basisondersteuning niet toereikend is en er extra ondersteuning (door de leerkracht of door de ondersteunende leerkracht (OL) op ZN 3) nodig is worden de afspraken in een plan opgenomen. De ouders worden hiervan op de hoogte gesteld door de leerkracht. 

Als blijkt dat het kind meer specifieke hulp behoeft (ZN 4), wordt dit met de ouders besproken.  Zoveel mogelijk in overleg met de IB-er, leerkracht en ouders wordt gekeken of er vervolgstappen nodig zijn bijvoorbeeld in de vorm van een pedagogisch didactisch onderzoek, inzet APO of inzet OKA.  Afhankelijk van de adviezen wordt er een (handelings)plan gemaakt waarmee gewerkt  wordt. 

Het streven is om een leerling door middel van een periode van kortdurende extra ondersteuning (ZN 3 en 4) een dusdanige ontwikkeling door te laten maken waardoor  de leerling teruggaat naar het niveau van de basisondersteuning (ZN 1 en 2).

Als een leerling leerachterstanden heeft die groter zijn dan 1 tot 2 jaar wordt er voor die specifieke domeinen een ontwikkelingsperspectief geschreven, het OPP (ZN 3 en 4).

Wanneer een leerling een onderwijsbehoefte heeft waar de school mogelijk niet in kan voorzien en een mogelijke doorstroom naar een andere vorm van onderwijs nodig zou kunnen zijn (ZN 5) vult de school ''Kindkans'' in. Dit is een verplicht aantal gegevens voor het samenwerkingsverband (SWV), dit is een vast onderdeel in ParnasSys, ons digitale leerlingvolgsysteem. Kindkans is nodig om een toelaatbaarheidsverklaring (TLV) aan te kunnen vragen voor een andere vorm van onderwijs. Het SWV onderzoekt met een multi-disciplinair team welke vorm van onderwijs of welke school het beste aansluit bij de onderwijsbehoefte van de betreffende leerling. 

Hier vindt u het (2020) nieuwe schoolondersteuningsplan.  

Leerlingen met een handicap

Op onze school is het uitgangspunt dat ieder kind, dus ook een kind met een handicap, zich binnen zijn mogelijkheden moet kunnen ontwikkelen. Daarnaast gaan wij ervan uit dat een kind sociaal integreert en een redelijke mate van zelfredzaamheid ontwikkelt.  Er wordt, naast het belang van de individuele leerling, altijd rekening gehouden met de groepsbelangen en de mogelijkheden van de leerkracht en het team.

Voor kinderen met een handicap worden elk half jaar de individuele onderwijsdoelen vastgesteld in een OPP (ZN 4).  Dit kan in samenwerking met externen zoals bijvoorbeeld een ambulant begeleider, orthopedagoog of medewerker van het SWV.  Het OPP wordt elk half jaar met de ouders besproken en geëvalueerd.

Meer over leerlingen met een handicap in de schoolgids.

Hoofdadres: Willem Witsenstraat 14 | 1077 AZ Amsterdam | 020 3057878 | Alle contactgegevens